15
apr
13

Alle wielrenners zijn valsspelers

2012 Frankrijk Vakantie080De eerste voorjaarsklassiekers zijn verreden, de grote ronden staan voor de deur. Wat is er veranderd in het wielrennen? Mart en Maarten in ieder geval niet. Ondanks de winter waarin Lance  bij Oprah zijn gele bandje niet meer omhad en Michael Boogerd  eindelijk zijn glimlach afdeed. Duurt eerlijk ook in het wielrennen het langst? Lees hieronder hoe lang er al bedrogen wordt.

Liegen en bedriegen

Fraude in het wielrennen is van alle tijden. In de beginjaren was de Tour de France het kind van Henri Desgrange. Tussen de eerste Tour van 1903 en die van 1939, de laatste onder zijn hoede, deed hij er niet alleen alles aan om de Tour steeds aantrekkelijk te houden. Hij moest ook knokken tegen fraude van de deelnemende wielrenners, die alles deden om als winnaar over de streep te komen. In 1904 leek het al mis te gaan toen de eerste vier van die Tour grote delen van het parcours met de trein bleken te hebben afgelegd. Zonder meelij werden zij kort na de Tour de France door Desgrange alsnog uit de uitslagen geschrapt. Een iets onschuldigere truc uit de beginjaren was de discussie met de directie over het reglement. Niet voor of na de rit, maar tijdens de etappe. Jean Alavoine, nummer twee in de Tour van 1919, 1922 en 1923, maakte hier dankbaar gebruik van door soms wel meer dan een half uur in discussie te gaan met Desgrange. Zich ondertussen vasthoudend aan diens wagen. Het duurde een paar etappes voor Desgrange dit door had. Vanaf dat moment werden reglementsbesprekingen alleen nog voor of na de etappe gevoerd.

 “Een Pyrenee frauderen kan men niet”

Om het frauderen zoveel mogelijk tegen te gaan maakte Desgrange de Tour het liefst zo zwaar mogelijk met zoveel bergen als mogelijk. “Men kan in een Tour de France frauderen zoveel men wil,” zei hij eens, “maar een Alp of een Pyrenee frauderen kan men niet. Een Alp is werkelijkheid en géén truc. Ik zal daarom meer Alpen en meer Pyreneeën in mijn route opnemen. Ik zal mijn ronde zo zwaar maken dat elke truc en iedere fraude er niet meer tegen opgewassen is en dat alleen de ware, eerlijke kampioen haar overmeesteren kan.”

Van drugs naar doping

Helaas werd het wielrennen hierdoor veel te zwaar. De renners zagen hierdoor slechts één oplossing om dat het hoofd te bieden; de farmacie. Al in de jaren dertig was het gebruik van drugs als cocaïne gemeengoed in het peloton. Dezelfde Desgrange schreef in die periode in de reglementen dat drugs niet door de organisatie zou worden verschaft. In een wielerboek uit 1950 staat het volgende te lezen; “Drogue! ….het kwaad zit diep, het heeft zich met duizend zuignappen vastgezogen in de internationale wielersport…” Het zou nog meer dan tien jaar duren voordat er een verbod op doping zou komen. In 1960 stierf de Deen Knut Jensen na een valpartij tijdens de Olympische Spelen van Rome op de 100 kilometer ploegentijdrit. Na autopsie bleek dat de val veroorzaakt was door het gebruik van onder andere amfetamine. Dit gebeurde ruim een maand nadat de grote Franse belofte Roger Rivière tijdens de Tour zwaar ten val was gekomen. Onder invloed van zware pijnstillers en amfetamine was zijn reactievermogen dusdanig aangetast dat hij te laat remde bij een bocht en rechtdoor een ravijn inreed. Hij zou nooit meer op topniveau fietsen. Deze gebeurtenissen waren het sein voor de UCI om een paar jaar later prestatiebevorderende drugs te verbieden en te beginnen met de eerste dopingcontroles.

Rampjaar

Dit kon niet voorkomen dat 1967 een rampjaar werd. Het bekendst is natuurlijk het overlijden van Tommy Simpson tijdens de Tour dat jaar. Op de hellingen van de Mont Ventoux stierf hij aan een combinatie van hitte en doping. Later dat jaar kwam ook de Belg Roger Dewilde om het leven. Het gebruik van amfetamine leidde tijdens een wedstrijd in het Vlaamse Kempzeke tot een hartaanval waardoor hij ten val kwam en overleed. Andere beroemde dopinggevallen dat jaar kwamen op naam van Jacques Anquetil en Evert Dolman. De eerste wilde na een succesvolle aanval op het werelduurrecord in Milaan niet meewerken aan de dopingcontrole. Daarop werd zijn record niet erkend, al staat het nog steeds in de boeken zonder extra notitie. Evert Dolman werd dat jaar Nederlands Kampioen bij de profs. Maar bij de dopingcontrole probeerde hij urine uit een meegebracht flesje in het potje te gieten. Hij werd betrapt, gaf toe dat hij doping had gebruikt, werd alsnog positief getest en verloor op die manier het roodwitblauw.

Kat en muis

In de jaren daarna ontspon zich een steeds gewiekster kat-en-muisspel tussen frauderende renners en naar waarheid zoekende dopingartsen. Als we kijken naar de periode 1970 – 2010 dan zijn alle grote namen wel een keer betrapt. Van Eddy Merckx via Joop Zoetemelk, Michel ‘Peerke ‘ Pollentier, Bjarne Riis en Marco Pantani tot Alberto Contador. Met alle betrapte renners zijn meerdere pelotons te vullen. Als de renners niet betrapt werden, dan was er wel vieze vis of vervuilde kip die het complete ploegen onmogelijk maakte verder te fietsen. Er zijn slechts twee wielrenners aan te wijzen die nooit zijn betrapt of op een andere manier in opspraak zijn geraakt aangaande dopinggebruik. Het lijkt erop dat alleen de Belg Lucien van Impe en de Spanjaard Oscar Pereiro schoon het geel in Parijs mochten aantrekken. Dat het steeds moeilijker werd om gebruikers te pakken bleek wel uit de affaire rond Lance Armstrong. De jarenlange geruchten werden pas in 2012 tot waarheid gepromoveerd door een meer dan duizend pagina’s tellend rapport opgesteld door de USADA. Vooral dankzij veel indirecte bewijzen en getuigenverklaringen van ex-collega’s. Echt op heterdaad betrapt werd de Texaan nooit, er moest een Agatha Christie-achtig onderzoek aan te pas komen om deze modernste onder de valsspelers in de kraag te vatten. Pas na zijn bekentenis bij Oprah waren ook zijn laatste fans echt overtuigd.

Een schone toekomst?

Na de uiteindelijk toch nog beperkte stroom van bekentenissen in 2012 en 2013 hoopt het wielrennen een schone doorstart te kunnen maken. Gaat dit ook lukken? De wielrenner van de toekomst zal net als zijn voorgangers willen winnen. Als het moet speelt hij daarbij weer vals. Zeker als de wedstrijden zo zwaar blijven als Henri Desgrange al graag wilde. Zeker als er zoveel geld mee is gemoeid als binnen het wielrennen. Moeten we dus de commerciële ploegen afschaffen en terug naar de landenploegen? Moeten we de wedstrijden lichter maken met bijvoorbeeld na elke rit in de Tour de France een rustdag? Moeten we het gebruik van stimulerende middelen toestaan, mits onder goed medisch toezicht? Ik heb daar geen antwoord op. Maar als ik dan toch word bedonderd, dan liever door Marco Pantani dan door Lance Armstrong.

25
mrt
13

Help mee ons kikkerlandje nog mooier te maken

watervalWie doet er mee?

Ik ben nu een half jaar bezig om de geografie van ons kikkerlandje in kaart te brengen.

Dankzij Christa Jonkergouw (Hier bij de De grootste waterval van Nederland)  kwam ik op het idee om daar een dimensie aan toe te voegen. Veel van de plaatsen die ik beschrijf zijn door jullie in het verleden bezocht. Tijdens een vakantie, een schoolreisje of zomaar tijdens een wandeling. Ik ben op zoek naar leuke anekdotes. Als er genoeg reacties komen, overweeg ik mijn verhalen, aangevuld met jullie anekdotes te gaan bundelen tot een papieren versie.

Stuur je anekdote met foto naar: lucasbezembinder@gmail.com

Dit zijn de verhalen tot nu toe. Tussen haakjes staan enkele van de genoemde plaatsen.

De grootste waterval van Nederland; water op de Veluwe (Renkum, Heelsum, Vrijenbergerspreng (Loenen op de Veluwe)

De huneschans; de ijzerindustrie op de Veluwe (Gerritsflesch, Slot St.Hubertus, Huneschans, Duno)

De beha van Jannink; een agrarisch experiment (Mander)

Het Roode Klif; keileem en zwerfkeien (Roode klif, Warns, Vollenhove, Urk)

Loosdrecht; prachtig schaatsen dankzij veen en turf (Loosdrecht, Kortenhoef, veengebieden elders in Nederland)

De Grebbeberg;  stuwwallen (Grebbeberg, Signaal Imbosch, Utrechtse Heuvelrug, ‘t Gooi, Veluwe)

Bergambacht, rivierduinen en donken (Bergambacht, Millingerwaard, andere donken)

Hogebeintum, terpen en wierden (Hogebeintum, Ezinge of andere terpen en wierden)

Darthuizerpoort; ijssmeltwaterdalen en spoelzandwaaiers (Leerssum, Elst, Utrechtse Heuvelrug)

Het Uddelermeer; Pingoruïnes (Uddelrmeer, Drenthe)

Schokland; de Zuiderzee drooggelegd (Urk, Schokland, Zuiderzeewerken, Afsluitdijk)

Het Wiel van Bassa; dijkdoorbraken en kolkgaten (Bassa, wielen elders in Nederland)

Kootwijkerzand; stuifzandgebieden in Nederland (Kootwijk, Loonse- en Drunense Duinen, zandverstuivingen elders in Nederland)

De Peelrandbreuk; aardbevingen in Nederland (Uden, Deurne, Roermond, aardbevingen elders in Nederland)

19
mrt
13

De grootste waterval van Nederland

Water op de Veluwe

De Veluwe wordt omringd door water. In het noorden het Veluwemeer, in het oosten de IJssel en in het zuiden de Rijn. Op de Veluwe zelf is er veel minder water. Op enkele kleine meertjes zoals het al eerder genoemde Uddelermeer na, zijn het vooral de vele beekjes aan de randen die opvallen.

Natuurlijke beken …

beek veluweWij geografen herkennen hier drie verschillende soorten beken. Allereerst is daar de laagland- of weilandbeek. Dit is een beek die zijn water ontvangt uit sloten en greppels, samen met uittredend grondwater. De waterafvoer is afhankelijk van de regenval en daarom onregelmatig. Dan is er nog de bronbeek, een beek van natuurlijke oorsprong, waarbij het grondwater van nature boven het maaiveld uitkomt en oppervlakkig afstroomt. Deze beken zijn vooral te vinden langs de zuidrand van de Veluwezoom tussen Doorwerth en Ellecom.

papiermolen veluwe… en door mensenhand vormgegeven beken

Het meest tot de verbeelding spreekt de sprengbeek. Dit is een door mensen aangelegde beek met de bedoeling een waterrad aan te drijven of om een landgoed met stromend water op te kunnen sieren. De Renkumse beken en de Heelsumse beek behoren tot dit type. De meeste sprengen zijn te vinden langs de oostrand van de Veluwe, tussen Dieren en Heerde, maar ook op de Zuidelijke Veluwerand rond Renkum en omgeving, liggen er een aantal. De eerste sprengen zijn waarschijnlijk al in de 3e eeuw gegraven, maar de grootste groei hangt samen met de opkomst van de papierindustrie. Tussen het eind van de 16e eeuw en het midden van de 18e eeuw werden op de Veluwe maar liefst zo’n 160 papiermolens gebouwd. Vanaf de 19e eeuw werden sprengen ook gebruikt voor wasserijen.

Je hebt water en water

spreng doorsneeIn de bovenloop zijn sprengen meestal ingegraven, terwijl de benedenloop vaak tussen wallen over een dijkje stroomt. Zo’n beekdeel heet dan ‘opgeleid’. Om fluctuaties in de watertoevoer op te kunnen vangen werden er in de loop ook opslagvijvers aangelegd. Dergelijke vijvers heten ‘wijerds’. In elk beekdal zijn vijf verschillende waterstromen te onderscheiden. Per dal kunnen de onderlinge verhoudingen echter sterk wisselen. Het beekwater bestaat bovenstrooms vooral uit kwelwater en is dus voedselarm. Het zuurstofgehalte is aanvankelijk erg laag, maar neemt aan de buitenlucht snel toe. Benedenstrooms wordt het door bijmenging met regenwater steeds mineralen- en voedselrijker. Het uittredende water van bronbeken en sprengen heeft een relatief constante temperatuur die meestal varieert tussen de 7 en 12 °C. Het moet dus wel heel hard vriezen wil een bron of sprengkop dichtvriezen.

Bijzondere flora en fauna

paarbladig goudveilDoordat dit milieu zeer zeldzaam in Nederland is groeit langs bronbeken en sprengen ook een zeer zeldzame vegetatie. Er groeit paarbladig goudveil, reuzenpaardestaart, waterbronkruid en drijvend fonteinkruid. Met heel veel geluk komt u ook nog de zeer zeldzame klimopwaterranonkel tegen. Ook heel zeldzaam is het Mijtertje. Dit is een klein paddestoeltje, 5 cm, met een oranjegele hoed. Die hoed lijkt echter niet op een mijter, het lijkt er meer op dat het steeltje even in een dikke oranjegele saus is gedipt. Bij sprengkoppen kunnen uitgespoelde lege huisjes van het, in ondergronds water levende, slakje Paladilhia bourguignati gevonden worden. Sprengen werden en worden vaak nog jaarlijks schoongemaakt, waarbij het opgedregde materiaal op de oevers wordt achtergelaten. Op de steile oevers groeien witte klaverzuring en beukvaren.

Buitenbeentje

DeGroteWatervalDe Vrijenbergerspreng, vlakbij Loenen op de Veluwe werd in 1875 niet aangelegd voor de papierindustrie, maar om het nabijgelegen Apeldoorns kanaal van extra water te voorzien, zodat er altijd voldoende water in het kanaal zou staan. Omdat het verval vrij groot was, werden op twee plekken, door middel van een reeks ‘trappen’, heuse watervallen aangelegd. De grootste van de twee is met een verval van 15 meter de grootste waterval van Nederland. Schertsend wordt wel eens gesproken van de Niagara-watervallen van de Lage Landen. Maar zelfs met de ogen dicht is van een benadering helaas geen sprake. Misschien is de eveneens door mensenhanden aangelegde ‘kloof’ iets verderop, waar de beek 7 meter lager dan de wandelaar stroomt, nog wel net iets spectaculairder. Al is gelukkig de naam ‘Gelderse Grand Canyon’ nog niet gevallen.

20
feb
13

De Hunneschans en de ijzerindustrie op de Veluwe

OLYMPUS DIGITAL CAMERAOp plaatsen waar leem in de bodem zit en de doorstroom vertraagd wordt, kan zeer plaatselijk ijzer neerslaan waardoor zich korsten van limoniet vormden. Limoniet is een geologische verzamelnaam voor amorf ijzererts. In het dagelijks leven kennen we het ook en noemen we dit gewoon roest. Dergelijke oerbanken hebben voor het landschap verschillende gevolgen gehad. Sommige banken waren dik dat ze het grondwater niet meer doorlieten. Boven de banken bleef het water dan staan waardoor zich op de plaatsen van oerbanken vennetjes vormden. Deze werden ijzeren mannen of flessen genoemd, zoals o.a. de Gerritsflesch achter Radio Kootwijk. Een dergelijk meer lag ook bij het door Berlage ontworpen jachtslot St. Hubertus aan de noordkant van de Veluwe. Het echtpaar Kröller-Müller gaf in de twintiger jaren opdracht dit meer uit te diepen. Daardoor werd de oerlaag doorgraven, zodat het meer prompt leegliep

klappersteen doorsneeKlapperstenen

Doordat het grondwater rond leemresten net even een andere samenstelling heeft dan de omgeving slaat het ijzer daar eerder neer. Door wisselingen in de ijzeraanvoer kunnen zich rond een leemklont dan concentrische korsten limoniet vormen. Dit verschijnsel wordt ‘concretievorming’ genoemd. De leemkern met de schillen limoniet eromheen is dan de ‘concretie’. Dergelijke concreties worden veelvuldig aangetroffen op de Veluwe. Eenmaal boven het grondwater droogt de leemkern vaak uit en krimpt daarbij. De leemkern zit dan los in zijn schil. Door zo’n concretie te schudden gaat die klapperen, vandaar de naam klappersteen.

IJzerindustrie

Oerbanken en klapperstenen kwamen vroeger zelfs zo veelvuldig voor dat er in de vroege middeleeuwen een hele ijzerindustrie omheen heeft bestaan. Stukken oerbank en lagen klapperstenen werden uitgegraven en in plaatselijke ovens tot ijzer omgezet. Het erts werd daarbij niet gesmolten maar ‘geroost’. De temperatuur in de primitieve ovens was niet hoog genoeg om het ijzer te

1. Winning van de klapperstenen 2. Drogen van de stenen 3. Scheiden van de ertsrijke schil van de leemkern 4. Het bouwen van de oven 5. Het stoken van de oven  6. De ontmanteling van de oven 7. Het verzamelen van de 'wolf' 8. Het uithameren van de wolf

1. Winning van de klapperstenen 2. Drogen van de stenen 3. Scheiden van de ertsrijke schil van de leemkern 4. Het bouwen van de oven 5. Het stoken van de oven 6. De ontmanteling van de oven 7. Het verzamelen van de ‘wolf’ 8. Het uithameren van de wolf

smelten. Wat wel smolt waren de nog aanwezige zand- en leemresten. Deze smelt werd afgetapt zodat er een vast ijzerconcentraat gemengd met ongesmolten silicaatresten overbleef. Dit werd de ‘wolf’ genoemd. Om bij de wolf te komen moest de oven worden afgebroken. De silicaatresten werden verwijderd door de wolf ‘uit te hameren’. De kuilen waaruit de klapperstenen zijn opgegraven liggen vaak in rijen met een NNW-ZZO richting. Dergelijke rijen van kuilen zijn vaak kilometers te vervolgen. Op talloze plaatsen zijn in de Veluwe nog slakkenhopen uit de ijzerovens te vinden. Deze slakken bevatten nog behoorlijk veel ijzer, wat aangeeft dat de productiemethode niet echt efficiënt was. Men heeft overigens berekend hoeveel ijzer gewonnen moet zijn per hoeveelheid slakkenafval. Zo bleek één slakkenhoop bij Apeldoorn in de buurt al goed te zijn voor 20 m3 ijzer. Dat is genoeg voor 50.000 bijlen en 120.000 hoefijzers!

Houtskool

Kohlenmeiler_Hagen_2004Naast klapperstenen was houtskool een essentieel onderdeel voor het vervaardigen van ijzer. Het houtskool werd gestookt in zogenaamde houtskoolmeilers. De plaatsen waar ooit dergelijke meilers gestaan hebben zijn nog steeds herkenbaar aan de roodkleuring van het zand dat zich onder de meilers bevond. Op één volumedeel ijzer waren 10 volumedelen houtskool nodig. De ijzerindustrie zal dus zeker bijgedragen hebben aan de ontbossing van de Veluwe. Na de 12e eeuw is de ijzerindustrie in het slop geraakt. Tot op de dag van vandaag wordt er echter nog steeds houtskool geproduceerd op de Veluwe, alleen is het nu vooral bestemd voor de barbecue. De huidige meilers zijn niet meer pittoresk van hout, maar bestaan uit plaatstalen kuipen.

Handel

GeotweetVeel van dit ijzer werd verhandeld. Ten westen van het gebied waar veel ijzer werd gevonden, bevond zich in de vroege Middeleeuwen een handelsroute die van het Almere in het noorden naar de Rijn in het zuiden liep en mogelijk nog doorliep in de richting van het Maas-gebied. Om deze handelsroute te controleren en te beveiligen werden op verschillende plekken in de 9e en 10e eeuw ringwalburchten aangelegd. De twee bekendste en recent gerestaureerde ringwalburchten dragen beide de naam Hunneschans. De ene ligt aan de oever van het Uddelermeer, de andere ligt ten zuiden van Heveadorp Dunoen wordt ook wel Duno genoemd, naar het gelijknamige landgoed waar het deel van heeft uitgemaakt. De ringwalburcht bij het Uddelermeer is bijna helemaal rond. Waar de wal ontbreekt ligt ter bescherming het Uddelermeer, toen waarschijnlijk ook gebruikt als drinkwaterbron. De hunneschans bij Duno is ovaler van vorm en ligt prachtig bovenop de stuwwal waardoor ook hier de wal niet geheel doorloopt. Hier is de steile helling van de stuwwal, aangevreten door de Rijn, de natuurlijk bescherming. Tegelijk zag men eventuele vijanden uit het rivierengebied al van ver aankomen.

Adela

hamalandIk zal niet te veel ingaan op de geschiedenissen die zich hier misschien hebben afgespeeld in de vroege Middeleeuwen, omdat het meeste bestaat uit speculatie. Een naam wil ik echter wel noemen en dat is die van Adela, dochter van de machtige Graaf Wichman II van Hamaland., eigenaar van veel ringwalburchten in Gelderland. Deze vrouw, die volgens de overlevering ‘veel te luid praatte, wulpse taal uitsloeg, even harmonisch gekleed ging als ze van binnen losgeslagen was en door haar oogopslag haar onevenwichtigheid verried’ deed er alles aan om haar vaders erfdeel in handen te krijgen, Het gerucht gaat dat zij daarvoor haar zus vergiftigde, om daarna met de vazal van haar zus, Balderik te trouwen. Ze zou berooid zijn gestorven in Keulen. Maar ook na haar dood deed zij nog stof opwaaien. Tijdens een storm zouden onverlaten haar botten hebben opgegraven en in de Rijn hebben gegooid. Die daarna uit protest nog dagen zou bruisen en kolken.

Hunnen

Waarom werden deze walburchten en ook de uit stenen opgebouwde graven in Drenthe geassocieerd met de Hunnen? Daarvoor moeten we terug naar de 17e eeuw. Een zekere Picardt schreef toen over “steenhopen gebouwd door grouwsamen barbarische en wreede reusen, huynen, giganten.” Vooral de term ‘huynen’ maakte blijkbaar indruk. In 1685 wordt voor het eerst de naam hunebed gebruikt. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de ringwalburchten, waarvan ook weinig meer over was in die tijd. Dat moest wel het werk zijn van barbaren, dus van de Hunnen!

08
feb
13

De beha van Jannink

Wie Andere Tijden van 3 februari 2013 heeft gezien weet waarom het platteland van Groningen zulke fraaie boerderijen huisvest. Om diezelfde reden, het gebruik van chilisalpeter als kunstmest, kon vanaf dat moment ook naar de woeste gronden gekeken worden als landbouwgebied. Tot die tijd waren de ‘woeste’ heidegebieden alleen geschikt om vee te laten grazen en om af te plaggen. Die plaggen werden dan vermengd met de koeien- en schapenstront uit de stallen om als mest te dienen voor de akkers die wel geschikt waren voor de verbouw.

Zo ook in Twente. In 1928 kocht mevrouw C.F. Jannink – van Heek,  iets te noorden van het dorp Mander een stuk grond. Dit heidegebied lag pal tegen de Duitse grens, grofweg tussen grenspaal 86 en grenspaal 88. Zij kocht het voor haar zoon Gerhard Jannink die een paar jaar daarvoor als Scheikundig Ingenieur was afgestudeerd aan de Technische Hoogeschool in Delft. Als zoon van de Directeur van de textielfirma N.V. G. Jannink & zn. in Enschede hield hij zich naast textiel bezig met landbouw.*

Jannink BEHAVlak na zijn afstuderen was hij in de Verenigde Staten geweest. Daar had hij iets gezien dat nog nooit in Nederland was vertoond; akkers die in een cirkel waren geploegd**. Het grote voordeel was dat men dan de ploeg niet meer hoefde te keren. Dit leverde veel tijdwinst op. Mechanisering ging hierbij natuurlijk ook een rol spelen. Daartoe ontwikkelde Jannink eerst de kettingtractor en later de kamwieltractor die verbonden met een paal in het midden prefect in het rond werd geleid, steeds een klein beetje verschuivend. Oorspronkelijk was het plan om hier vier cirkels aan te leggen met in het midden een boerderij. Maar het is bij twee gebleven waarop in eerste instantie rogge, haver en aardappelen werden verbouwd. Na 1976 werd overgeschakeld op maïs en werd drijfmest van grote veeboerderijen uit de omgeving gebruikt. De ene cirkel heeft een doorsnee van 343 meter, de andere meet 378 meter.

Het is niet waarschijnlijk dat de familie Jannink tot het eind de cirkels hebben verbouwd. Textiel was voor hun wel het belangrijkste. Dat bleek wel in 1932 tijdens een staking in de textielfabriek van Jannink in Enschede. Het was hartje winter en de productie lag al helemaal stil. De paar arbeiders die bereid waren de kachels op te stoken om de fabriek niet helemaal te laten bevriezen, werd door hun collega’s het werken onmogelijk gemaakt. Gerard Jannink besloot toen om werknemers van zijn landbouwonderneming de ‘Braamberg’ in Vasse naar de fabriek te laten komen om dit ‘onderkruiperswerk’ zoals dat door de kranten in die tijd werd genoemd, uit te laten voeren. Nu is in die fabriek een textielmuseum gevestigd.

In de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het gebied met de cirkels onderdeel van een natuurontwikkelingsproject. Het Overijssels Landschap werd daarom in 1991 eigenaar van de cirkels. Er was in het begin bij historische geografen de angst dat de cirkels zouden verdwijnen maar dat is gelukkig voorkomen. Daarom werd in 1993 aan de beeldend kunstenaar Paul de Kort de opdracht gegeven dit te voorkomen. Hij heeft de cirkels geaccentueerd door ze te omgeven door een greppel en een wal. Om de oude ploegvoren te verbeelden heeft hij een 2,5 kilometer lang spiraalvormig wandelpad aangelegd. De kleine ronden ‘eilanden’ in het centrum heeft hij beplant met jeneverbessen en een labyrint. Daarmee zijn de Mandercirkels, ook wel de Cirkels van Jannink of de beha van Jannink genoemd, nog steeds een markant baken voor vliegers.

* Naast de textielfabriek bezat de familie ook de Landbouwmaatschappij “de Braamberg” in het iets zuidelijker gelegen Vasse. Saillant is dat ook hier geografie en kunst samenkomen. Begin jaren twintig lieten zij hier een theehuis bouwen. Hoewel ik er geen afbeeldingen van heb gezien (het is in WO II afgebrand) ben ik vrijwel zeker dat het in de Amsterdamse School-stijl is gebouwd. center pivot irrigation crop circle 3De oorspronkelijke architect was Karel de Bazel, beroemd van zijn Amsterdamse Schoolwijk in Bussum en het kantoor van de Nederlandse Handelsmaatschappij in Amsterdam. Omdat hij halverwege de bouw overleed (op weg naar de begrafenis van zijn collega, de nog beroemde architect Michiel de Klerk) werd het theehuis afgemaakt door het duo Broese van Groenou en De Clercq die in die periode ook onder invloed van de Amsterdamse School stonden.

** Niet te verwarren met cirkelirrigatie. Deze vorm van landbouw werd in 1948 voor het eerst toegepast door een boer in Colorado (VS). Vaak wordt op dit soort akkers gewoon ouderwets heen en weer geploegd. Het overgrote deel van de uit de lucht prachtig zichtbare vormen, is van deze oorsprong. Zeker in droge gebieden wordt deze methode veel toegepast.

 

03
feb
13

Het Roode Klif; keileem en zwerfkeien

Keileem en zwerfkeien

In het jaar vier na Christus geboorte zou, volgens de oude aanteekeningen, het Roode Klif, in het midden van de zomer, drie dagen achtereen, eene groote vuurvlam hebben uitgespuwd, waarna, op den vierde dag, zich eenen roode of vurige slang of draak, mede uit het Klif opstijgende, een half uur lang, tot verschrikking der aanschouwers, boven den vuurmond in de lucht vertoonde, en daarna in het Klif tegelijk met de vlam verdween.

Occo van Scharl, ± 950

Morteratsch_Glacier_Morteratschgletscher_002Wie wel eens vlakbij een gletsjer is geweest, weet dat het ijs niet overal mooi schoon is. In de winter gaan de meeste gletsjers in Europa schuil onder een dik pakket allesverhullende sneeuw. Kom je als de sneeuw is gesmolten dan zie je niet alleen ijs, maar ook ‘viezigheid.’ Een deel komt uit de lucht vallen*, maar het meeste is door de gletsjer zelf veroorzaakt. Als een nietsontziende bulldozer zoekt het ijs zijn weg. Onderweg alles meenemend wat los maar vaak ook wat vast zit. Rotsen worden gladgesleten, modder, zand en keien worden meegenomen. De onderste laag van de gletsjer is vaak niet eens meer als dusdanig te herkennen. Het is meer een massa bevroren puin en slib. Met daarin zand en keien die als de gletsjer weer is verdwenen als een dikke laag keileem achterblijft. Als dit keileem ook nog eens door het ijs is opgestuwd kan het pakket nog dikker zijn.

Weerbarstig

keileemHet ijs dat Nederland tijdens het Saalien bijna voor de helft bedekte heeft ook veel keileem achtergelaten. In de ondergrond van Groningen, Drenthe en Friesland en ook in delen van Overijssel, oostelijk Gelderland, Flevoland en Noord-Holland komt het bijna overal voor. Keileem is erg compact en spoelt niet zo makkelijk weg. Eilanden als Texel en vroeger Urk hielden hun hoofd boven water omdat ze voor een groot deel uit keileem bestaan*. Langs de voormalige Zuiderzee ontstonden er zelfs heuse kliffen van meer dan tien meer hoog. Dit zijn keileempakketten die ook nog eens door het ijs zijn opgestuwd. Voor het vlakke Nederland een uniek en dus tot de verbeelding sprekend fenomeen. Dat blijkt wel uit de woorden van Occo van Scharl met betrekking tot het Roode Klif, opgeschreven in de 10e eeuw. Dacht men daardoor toen, ook dankzij de rode kleur aan een vulkanische oorsprong, de werkelijkheid bleek veel kouder.

Getemd

kliffen in ZuiderzeeDeze hogere gelegen kusten hadden allerlei voordelen. Zo hoefde men daar geen dijken aan te leggen. Langs de door dijkdoorbraken geplaagde Zuiderzee een zegen. Bij de kliffen van de Voorst nabij Vollenhove ontstond in de jaren ’30 zelfs een heuse badcultuur. Chauvinistische journalisten vergeleken het in de hoogtijdagen zelfs met Zandvoort. Maar omdat de kliffen toch de strijd tegen het water beetje bij beetje verloren, greep de mens ook hier in. De Zuiderzee werd IJsselmeer en de kliffen werden deels afgegraven* en minder steil gemaakt, verdwenen of onder een een laag plaggen of zoals bij de Voorst onder een laag basaltblokken. Allemaal om verdere erosie tegen te gaan. Zien wij op een kaart uit 1908 de vier kliffen langs de Zuiderzee nog als belangrijke landschapsfenomenen. Vandaag de dag moeten we heel goed zoeken om er nog iets van terug te vinden. En van een ‘Zandvoort aan het IJsselmeer’ is ook al lang geen sprake meer. Toen in 1940 pal tegenover het strand de dijk van de nieuwe Noordoostpolder verrees, was van de zee, dat toen al meer was, niet meer dan 70 meter over; het Vollenhover Kanaal.

Uit heel Scandinavië

Wellicht onbedoeld is het monument bij het Roode Klif bijzonder toepasselijk gekozen. De herinnering aan de ‘Slag bij Warns’ in 1345 wordt hier verbeeld door een enorme kei met daarop de woorden ‘Leaver Dea as Slaef’, liever dood dan slaaf. Het keileem bevatte namelijk ook veel grote keien. Vanwege hun lange reis hadden deze al vroeg de prozaïsche naam ‘zwerfkei’ meegekregen. zwerfkeiAlsof ze op eigen houtje de hele weg vanuit Scandinavië hadden afgelegd. Uit onderzoek is gebleken dat de meeste zwerfkeien in Nederland uit Zuid- en Midden-Zweden, Denemarken en de bodem van de Oostzee afkomstig zijn. Maar er zijn zelfs zwerfstenen uit Finland en Noorwegen gevonden. Dit is niet alleen een bewijs van de uitgestrektheid van het ijspakket, maar toont tevens aan dat de stroomrichting van het ijs niet altijd hetzelfde is geweest. Al in de prehistorie werden de zwerfkeien door de lokale bewoners gebruikt. Overal in Noordwest-Europa en Zuid-Scandinavië vinden we grafmonumenten waarbij dankbaar gebruik is gemaakt van de grote, deels afgeronde zwerfkeien. Bij ons in Drenthe zijn dat natuurlijk de alom bekende hunebedden. Elders zijn de in de ondergrond gevonden keien vaak als monument gebruikt. De beroemdste is waarschijnlijk diegene die Amersfoort haar bijnaam ‘Keistad’ bezorgde.

* De keileem was ook erg geliefd bij de dijkenbouwers. Zeker toen in de jaren ’30 van de vorige eeuw de Afsluitdijk werd aangelegd, werd er veel keileem gebruikt.

03
feb
13

Gedachtenistafel van de heren van Montfoort – maker onbekend

800px-Gedachtenistafel_van_de_Heren_van_Montfoort

int jaer ons heeren dusent drie hondert vijfentveertich op sante cosmas en damianus dach doe bleven doot op die vriesen bij grave willem van heynegouwen van hollant van // Zeland en heer van Vrieslant heer jan van Montfoorde heer roeloff van Montfoorde heer willem van Montfoorde met veel hare magen vrienden en onder // hebbenden. bidt voor haer allen zielen.

(In het jaar des Heren 1345 op Sint Cosmas en Damianus [26 september] vonden samen met Willem van Henegouwen, graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, de dood tegen de Friezen heer Jan van Montfoort, heer Roelof van Montfoort, heer Willem van Montfoort en veel van hun verwanten, vrienden en onder hun bevel staanden. Bidt voor hun aller ziele.)

 

Hoewel de natuur en de kunsten vaak dichter bij elkaar staan dan wij denken, was ik toch verrast toen ik op mijn zoektocht naar de geotweet dit stukje Nederlandse kunst tegenkwam. Na de stuwwallen en  de ijssmeltwaterdalen was ik op zoek naar een fraai voorbeeld van keileem in het Nederlandse landschap. Al snel kwam ik bij het ‘Roode Klif’ in Friesland uit. Wie in Friesland “Roode Klif” zegt, laat dat direct volgen door “De Slag bij Warns in 1345. Zoekend naar deze voor ‘echte’ Friezen zo belangrijke slag kwam ik het schilderij ‘Gedachtenistafel van de Heren van Montfoort’ tegen. Dat het oudst bewaard gebleven schilderij van Nederland blijkt te zijn.

Bij Warns of Stavoren?

Wat elk jaar wordt herdacht als de ‘Slag bij Warns’ zou best wel eens de ‘Slag bij Stavoren’ geweest kunnen zijn. Volgens sommigen duikt de naam Warns pas eeuwen later op en is de Hollander Willem IV in de pan gehakt bij ‘Starum’. Gezien de ligging van het Roode Klif, waar de gedenksteen aan de slag staat, maakt dit niet eens zoveel uit. Stavoren en Warns liggen op ongeveer gelijke afstand. Al krijgt de ‘ferkearde wei’ zo wel een dubbele betekenis. Niet alleen de Hollanders gingen hier de verkeerde kant op, de weg naar Warns zou sowieso dus wel eens verkeerd kunnen zijn. Feit blijft dat de uitbreiding van de macht door de Hollanders mislukte. Al zouden de Friezen twee jaar later al een bestand sluiten met de Hollanders. En ondanks een oprisping onder Grote Pier (1480-1520) zou Friesland in 1648 onderdeel worden van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Slag tussen twee volken?

Hoewel menig Fries weet dat zij bij de ‘Slag bij Warns’ de Hollanders hun land uitjoegen, heeft het dus geen belangrijke nationalistische bijsmaak*. Bij een slag uit diezelfde periode in wat nu Kosovo is, was  dat wel anders. De Slag op het Merelveld, wordt nog altijd door de Serviërs aangegrepen om hun rechten op dit gebied te doen gelden. Terwijl zij hier in 1389 van de Turken verloren en eeuwenlang onder het Ottomaanse juk zouden zuchten. Friesland daarentegen lijkt tevreden met zijn positie binnen een koninkrijk dat toch door de Hollanders wordt gedomineerd. Zou dat met volksaard te maken hebben?

Heren uit Holland

Het schilderij, waarvan de maker niet meer te achterhalen is, laat ons geen heldhaftige taferelen van de slag zien. Het is eigenlijk een soort religieus portret van vier Heren die in dienst van de graaf van Holland aan de slag zouden deelnemen. Links zien we Maria** met kind en rechts staat Sint Joris. Daar tussenin knielen vier mannen naar Maria. Dit zijn van links naar rechts: Jan I van Montfoort, zijn oudoom Roelof de Rover, zijn oom Willem de Rover en Hendrik de Rover Willemz. De drie linkse mannen sneuvelden samen met hun leider Willem IV van Holland*** in de Slag van Warns. Hendrik de Rover Willemz overleefde de slag, wat op dit schilderij wordt gesymboliseerd door het feit dat Sint-Joris hem bij de bovenarm vasthoudt. Het schilderij is vrij kort na de slag geschilderd (±1380-1400) voor het Maria-altaar van de Sint-Janskerk in Linschoten. De helmen en de wapenschilden zijn bij restauraties in 1608 en 1770 pas aangebracht. Via-via kwam het in 1885 in bezit van het Rijksmuseum in Amsterdam. Vrijwel de gehele periode dat dit museum gesloten was, is het schilderij in bruikleen uitgeleend geweest aan het Centraal Museum in Utrecht.

Naast een eerbetoon aan Maria is het schilderij dus ook een grafmonument voor de gesneuvelde heren.

* In de Tweede Wereldoorlog probeerden de Duitsers, met de 600-jarige viering voor de deur, de Slag bij Warns nog wel met een ‘Blut und Boden’-sausje te overgieten. Ook nadien probeerden rechtse groeperingen de slag te kapen. Maar de organisatie die de slag herdenkt is erg alert en menig Fries antwoordt waarschuwend: “Het IJsselmeer is vlakbij.”

** Opmerkelijk was ook dat de Friezen het feest van de overwinning dat zij na 1345 elk jaar vierden, aan Maria wijdden. Het ging dan ook de Friesche Lieve Vrouwedag heten. De jaarlijkse viering verdween met het protestants worden van de lage landen na 1500. Sinds 1951 staat er op het Roode Klif een herdenkingssteen met de tekst ‘Leaver dea as slaef’ (liever dood dan slaaf). Sindsdien wordt de slag elke laatste zondag van september herdacht. Om 13.45.

*** Willem IV van Holland, die ook Willem II van Henegouwen was, zou worden opgevolgd door zijn zus Margaretha van Beieren. Dit zou later leiden tot de Hoekse en Kabeljauwse twisten.




Archief

Tweets

  • Jaloers kijken wij naar landen met tradities. Zelf gooien wij ze te grabbel. Vanwege economisch voordeel verhuist koning winter naar Almere. 21 hours ago
  • Zometeen een verhaal in 140 tekens over tradities. En over Heerenveen aks schaatshoofdstad van Europa. Zeker sinds de Noren Bislet wegdeden. 21 hours ago
  • Gerucht; dit jaar komt de hooikoorts gelijk met de griepprik. 1 day ago
  • Liedje van troost. Voor de moeder van die jochies. En voor iedereen die heeft geholpen en gehoopt op 'n goede afloop. youtu.be/Lt3IOdDE5iA 2 days ago
  • Soms zijn oplossingen verrassend eenvoudig. Niet weglopen, maar 50 cent duurder maken. Waar een wil is... http://t.co/9CII4BpqZE 3 days ago

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 3.832 other followers