27
Okt
14

Reimerswaal; het veen, het zout en de ondergang

Daer by quam, dat men by ondervindinghe leerde, dat het uytdelven van den Darinck, t’zy tot berninghe, t’zij tot maecken van het soudt, de dijcken ende het landt, ontrent de Zee gheleghen, te seer verswacte ende ontbloote; waer over t’selve by de Keuren van Zeelandt werdt verboden.

Boxhorn, Chroniick van Zeelandt 1644

veen ZW NLAls we het over veengebieden in Nederland worden die in het westen van het land, die in het noorden en soms ook nog die in het oosten van Brabant vaak genoemd. Dat er ook in het westen van Brabant en oosten van Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden uitgebreide veengebieden waren weten weinigen. Dat komt ook doordat er vrijwel niets meer van te zien is. Waar in en rond Loosdrecht prachtig kan worden geschaatst, is er in de buurt van plaatsen als Zierikzee, Steenbergen en Dordrecht weinig meer dat aan dit sompige verleden herinnert. De oorzaak hiervan; zout!

De zee geeft

moerneringNet als op veel plaatsen in Nederland bevonden zich ook op de grens van Brabant, Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden uitgestrekte veengebieden. Veen wordt hier Moer genoemd. Plaatsnamen als Moerdijk, Moedergestel en Moerkapelle herinneren hier nog aan. Wat deze veengebieden zo bijzonder maakte, was dat ze regelmatig overstroomd werden door het zeewater. Dit zorgde ervoor dat het veen doordrenkt raakt van zout water en dat het bedekt werd met een laag zeeklei. Zo’n laag veen bedekt met klei heet in deze regionen darink of ook wel derrie. Omdat zout schaars was in de Lage Landen (Holland & Vlaanderen) werd het veen niet alleen gestoken om als brandstof te dienen, maar ook voor de zoutwinning. Met een mooi woord heet dit darink delven.

Binnen of buiten de dijken.

darink delvenHet darink delven in deze regio begint vanaf 1100 op grote schaal plaats te vinden. Tussen de vele kreken en geulen in dit gebied bevonden zich allemaal kleinere en grotere eilanden die vaak waren bedijkt om de bevolking droge voeten te laten houden. Het veen dicht bij de geul had een dunnere laag klei dan verderaf. Dit was dus makkelijker te winnen. Nadeel was wel dat dit buitendijks lag en bijna dagelijks overstroomde. Om dit toch winbaar te maken werden buitendijks lage, zogenaamde moerdijken aangelegd zodat de turfstekers relatief veilig hun werk konden doen. Nadeel van dit darink delven was dat het maaiveld steeds lager kwam te liggen en de zee makkelijker stukken land kon eroderen. De geulen werden daardoor steeds breder. Dit was ook de reden dat het binnendijkse darink delven op veel plaatsen slechts beperkt voorkwam en op sommige plaatsen zelfs helemaal werd verboden. Dit gold al in de 15e eeuw voor geheel Zeeland zoals wij in de Chroniick van Zeelandt uit 1644 kunnen lezen.

Welvaart

zoutkeetEen deel van de op deze manier gedolven darink werd als brandstof gebruikt, maar het meest werd verbrand om zout uit te winnen. De as van de verbrande darink werd ‘zel’ of ‘sel’ genoemd. Daarom heet dit proces van zoutwinning ook wel selnering. Het zout werd dan geraffineerd in een ‘zoutkeet’. Hier werd eerst van zel en zeewater pekel gemaakt. Deze pekel werd in een ‘pan’ een metalen vat, ingedampt tot keukenzout (NaCl). Dit zout werd naast de zoutkeet in de ‘denne‘ te drogen gelegd. Eenmaal droog werd het zout vooral naar Vlaanderen verscheept naar steden als Antwerpen, Gent en Brugge. Deze zouthandel zorgde voor een grote welvaart in het gebied tussen pakweg Dordrecht en Roosendaal. Met de import van goedkoper steenzout uit onder andere Frankrijk kwam hier aan het eind van de 15e eeuw een eind. Omdat dit zout nog geraffineerd moest worden, was nog wel darink als brandstof nodig. De Zoutkeet en de Denne bleven hun functie houden, maar door het verminderen van de handel viel de grootste bron van welvaart langzaam maar zeker weg.

De zee neemt

Sint_Elisabethsvloed_1421Ook de natuur begon zich steeds meer te mengen in de discussie of het darink delven nog lucratief was. Ik wil hier twee grote rampspoeden noemen. Allereerst is daar in 1421 de St. Elisabethsvloed. De noordwesterstorm gevolgd een zeer hoge stormvloed en geholpen door een hoge waterstand in de rivieren door een zeer natte periode zorgde voor veel overstromingen in Zuid-Holland, Brabant en Zeeland. De gevolgen werden nog eens vergroot doordat door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarbij Geertruidenberg en Dordrecht elkaar bestreden, de dijken slecht waren onderhouden. Daarnaast was door het darink delven met name het buitendijkse gebied langs de kreken en geulen extra kwetsbaar geworden. Dit had tot gevolg dat grote stukken land voor lange tijd aan de zee moest worden teruggegeven. Ook de Biesbosch dankt zijn ontstaan aan deze vloed. In de komende decennia verdween het grootste deel hier onder water. Vooral Dordrecht is deze klap nooit meer te boven gekomen. Al lag Geertruidenberg vanaf nu wel op veilige afstand.

Het einde van een stad aan de Schelde

ReimerswaalEen andere storm die in dit verhaal genoemd moet worden is de St. Felixvloed* van 1530. Deze ramp deed zich voor zaterdag 5 november 1530, een dag die later als ‘quade saterdach’ bekend zou worden. Deze ramp trof vooral Vlaanderen en Zeeland. Het gebied ten oosten van Yerseke overstroomde is zijn geheel. 18 dorpen en de stad Reimerswaal werden bijna helemaal van de kaart geveegd. Vandaag de dag is dit gebied, dat nooit meer op de zee is teruggewonnen, bekend als het ‘Verdronken land van Zuid-Beveland’. Ook hier speelde de verzwakking van de kust ten gevolge van het darink delven een rol.

Het is iets te makkelijk om deze vloed als het einde van de selnering en Reimerswaal te bestempelen. De selnering was al bijna een halve eeuw op zijn retour en dat gold ook voor de welvaart van Reimerswaal. Het stadje was rijk geworden tijdens de zoutjaren, maar de grootste rijkdom lag al een paar generaties terug. Het hoge gedeelte van Reimerswaal bleef weliswaar gespaard, maar meerdere stormvloeden in de jaren erna isoleerden Reimerswaal steeds meer. Ook de keuze van het stadje om in de Tachtigjarige Oorlog voor Spanje te kiezen pakte slecht uit. In 1573 brandden de geuzen wat nog over was plat. Zelfs de handel in meekrap** kon Reimerswaal niet meer redden. In de 17e eeuw restte er nog een eiland en enkele vervallen huizen. In de 18e eeuw verdween ook dat stukje in de golven en in 1978 bouwde rijkswaterstaat in het kader van het Deltaplan hier de Bergse Schutsluis. Wat ooit een welvarend stadje aan de Schelde was verdween nu onder het asfalt als onderdeel van de Oesterdam.

* Felix is latijn voor gelukkig

** Meekrap kwam in de 15e eeuw uit Azië naar Nederland. Vooral op de goed bemeste kleigronden van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden deed dit plantje het prima. Meekrap werd toen veel gebruikt als rode kleurstof.

Advertenties

0 Responses to “Reimerswaal; het veen, het zout en de ondergang”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


Archief

Tweets


%d bloggers liken dit: