29
Sep
13

Geografie in Boek

kleine landjesKleine Landjes, berichten uit de Kaukasus – Jelle Brandt Corstius

In de buurt van de nieuwe moskee deed ik een plas in een nachtmerrieachtig openbaar toilet. Bij de wastafel, waarvan de kraan het natuurlijk niet deed, kwam ik drie kleine ridders tegen. Het ene moment valt een kat uit de lucht, het andere moment kom je drie kleine ridders tegen in een stinkend toilet. Nieuwsgierig naar de ridders stelde ik mijzelf voor, waarna zij heel hard begonnen te lachen. ‘Jelle’ betekent namelijk ‘ridder’ in het Tsjetsjeens. De Jelles bleken deel uit te maken van het beroemdste dansgezelschap van Tsjetsjenië.

Als geograaf heb ik een vreemde voelspriet voor geografische namen. Zo viel het mij tijdens de eerste helft van de jaren negentig op dat er verschillende keren gijzelingen en kapingen waren in en rond het Zuid-Russische Mineralnye Voda. Niet omdat de gijzelingen mij bovenmatig interesseerden, maar omdat de vertaling van deze plaatsnaam mineraalwater is. Zeg maar het Spa van Rusland. Ik wist toen nog niet niet dat deze stad vlakbij Tsjetsjenië lag, en dat deze ‘terroristische’ acties de voorbode waren van een langdurige en bloedige strijd in die Kaukasische Republiek. Een strijd die niet beperkt bleef tot Tsjetsjenië, maar zich ook uitbreidde naar de rest van de Kaukasus.

In 2009 leerde ik dankzij de mij toen nog onbekende Jelle Brandt Corstius dit deel van Rusland iets beter kennen. Zijn reisprogramma van Moskou tot Magadan bij de VPRO had mij direct te pakken. Wat mij vooral aansprak was de kleine manier waarop hij verslag deed van zijn belevenissen. Hij dronk niet alleen samen met zijn Russische gastheer Vodka. Hij dronk ook net zoveel als zijn Russische gastheer. Dankzij deze aanpak weet hij de grote lijnen van de geschiedenis terug te brengen tot wat deze geschidenis betekent voor de kleinere man.

Toen ik een vlak na deze serie dan ook zijn boek ‘Kleine Landjes’ in de winkel zag liggen, heb ik het direct gekocht. Hier hanteerde hij dezelfde succesvolle techniek. In het boek bezoekt hij de vijf kleine autonome Russische republieken Tsjetsjenië, Kalmukkië, Abchazië, Ossetië en Karatsjaj – Tsjerkessië. Bij de beschrijving van zijn bezoek aan deze laatste republiek moest ik toch een kleine teleurstelling incasseren. Hij vertelt over het bezoek aan de stad ‘Mineraalwater’ vlak over de grens in de buurrepubliek Krai. Hij vertelt wel dat hier een monument is opgericht voor het klysma, maar geen enkele woord over de aanslagen in de vroege jaren ’90. Toch de reden waarom dit stukje Rusland nu onze aandacht heeft gekregen.

Op een latere reis ging ik naar een stad iets verderop, die bekend is om zijn mineraalwater. De stad heet dan ook ‘Mineraalwater’. Mensen komen er om wekenlang te kuren; afwisselend diverse soorten vies water uit diverse kraantjes drinken en dat er driemaal daags door middel van klysma’s weer uit te poepen. Een excentriek kuuroord had een monument voor het klysma neergezet: een gouden klysma ter grootte van een winkelwagentje, met twee engeltjes die om het klysma fladderden. Volgens de directeur van het kuuroord verbeeldden de engeltjes de opluchting die je ervaart na een klysma.

 

full tiltFull Tilt, Dunkirk to Delhi by bicycle – Dervla Murphy

Clothes worn at the start

1 woollen vest

1 pair of woollen ankle-length underpants

1 pair of gabardine slacks

1 pair of waterproof trousers

2 heavy sweaters

1 Viyella shirt

1 gabardine wind-cheater

1 woollen balaclava helmet

1 skiing cap

1 pair of leather fur-lined gauntlets

Ik kreeg dit boek toen ik eind jaren ’80 met mijn rugzak drie maanden door Zuid-Amerika trok van een Engelsman die ik tegenkwam in de woestijnduinen vlakbij het Peruviaanse Ica. In het boek opende zich een wereld die ook 25 jaar geleden al geschiedenis was. Het begon al met haar fietstocht door Europa. Half januari 1963 vertrok zij uit Ierland, een land waar bij twee graden onder nul al gesproken wordt van ‘severe frostconditions’. Deze condities vertraagden haar vertrek met een week, al had zij bij nader inzien beter een paar maanden kunnen wachten.

Medical supplies 

3 tubes of insect repellent cream

100 Chlorinate tablets (for water purification)

1 ounce of potassium permanganate (against snake bite)

1 dozen Acromycin capsules

1 tin of Elastoplast

100 Aspirin

100 Paludrin tablets (against malaria)

6 tubes of sunburn cream

De winter van 1963 zou de strengste van de eeuw worden. In voormalig Joegoslavië is zij samen met haar fiets Roz verschillende keren aan een wisse dood ontsnapt. Zoals die nacht toen alles bedekt was met een dik pak sneeuw en eventuele wegen niet meer herkenbaar waren. De vrachtwagen die haar een lift gaf, gleed dankzij een kleine, maar stevige boom niet het ravijn in. Op zoek naar hulp voor haar en de hevig geschrokken chauffeur kwam zij oog in oog met drie wolven. Een van de wolven had haar enkel al beet toen zij de hongerige beesten met het pistool dat ze bij zich droeg, kon verjagen. Of eigenlijk werd maar één wolf verjaagd, de andere twee had zij doodgeschoten.

Incidentals

1 .25 automatical pistol

4 rounds of ammunition

12 Biro pens

6 notebooks

4 maps

1 cycling cape

1 camping knife

1 Thermos flask

1 mug

Passport

1 money belt

£ 300 in traveller’s cheques

Het boek begint pas voorbij Teheran. Iran heette toen nog Perzië en Afghanistan was – om andere redenen – bijna net zo onbereikbaar als nu. En toch fietste ze alsmaar door. Ook toen dieven en verkrachters het op haar hadden gemunt. Weer bood haar pistool uitkomst. Na Afghanistan trok zij door Pakistan. Dit was in naam dan wel één land, in de praktijk waren het nog afzonderlijke staatjes. Zo ontmoette zij in Swat, in het noordoosten van Pakistan de laatste Wali, de toenmalige leider van dit prinsdom. Een deel van haar reis voerde door de uitlopers van de Himalaya waarbij zij met de fiets aan de hand, zelfs een gletsjer overstak. Uiteindelijk arriveerde zij op 7 juli 1963 in Delhi, de hoofdstad van het dan pas 16 jaar onafhankelijke India.

Na lezing van het boek besloot ik ooit nog eens dit gebied te gaan bezoeken. Ik kwam echter niet dichterbij dan het stukje Noord-India dat onderdeel uitmaakt van het Kasjmir waar Dervla Murphy ook doorheen kwam.

Roz’s spares

1 tyre

1 inner tube

1 lamp-battery

4 links for the chain

1 brake cable

3 puncture repair outfits

1 pump connection

Total expenditure from 14 january 1963 to 8 july 1963 = £64 7s. 10 d.

 

KrakatoaKrakatoa, The Day the World Exploded, August 27, 1883 – Simon Winchester

“Humans have been recording their memories for about thirty thousand years, in cave paintings or songs, in carvings or writings, and during this time, the small cluster of volcanoes and off-islands that for the last three hundred years we have come to call collectively Krakatoa has exploded once, twice, four or even eleven times. Four of these eruptions are generally accepted to have emerged from the mists of uncentrain history into the realms of possible reality… … and only the most recent survives as the one of the four that is incontrovertibly regarded as having taken place.”

Het boek is meer dan de zoveelste beschrijving van een van de krachtigste vulkaanuitbarstingen die de mens ooit zeer bewust heeft meegemaakt. En dat ook nog eens op Nederlands grondgebied, want de Krakatau ligt ten westen van Java dat toen tot Nederlands-Indië behoorde. Met het boek van Salomon Kroonenberg ‘De Menselijke Maat’ nog vers in ons geheugen wordt duidelijk dat dit soort uitbarstingen onze maat vaak te boven gaat. “Uniek en nog nooit eerder vertoond,” zegt meer over de reikwijdte van ons geheugen. De aarde wordt met geologische regelmaat getroffen door dit soort gebeurtenissen.

Sommige wetenschappers zijn ervan overtuigd dat de rode lucht op het schilderij ‘De Schreeuw’ van Munch het gevolg was van de uitbarsting van de Krakatau in 1883. De enorme hoeveelheid as die de vulkaan uitbraakte, zorgde wereldwijd inderdaad voor prachtige rode zonsondergangen. Het is echter onwaarschijnlijk dat Munch dit in 1893 zo nog gezien heeft. Misschien werd de rode hemel hem weer in herinnering gebracht door Alfred Lord Tennyson. In zijn gedicht St. Telemachus uit 1892 waarin hij terugdacht aan de gevolgen van de uitbarsting van de Krakatau, schrijft hij het volgende:

Had the fierce ashes of some fiery peak

Been hurl’d so high they ranged around the globe?

For day by day, thro many a blood-red eve,…

The wrathful sunset glared…

De knal van de uitbarsting was tot in India en Australië te horen. De meeste schade en 40.000 slachtoffers werden veroorzaakt door de op de uitbarsting volgende tsunami. Het radarschip de Berouw dat op Sumatra in de monding van de Koeripan rivier lag, kwam bijna ongeschonden ruim twee kilometer landinwaarts in de jungle terecht, waar de roestige restanten ruim honderd jaar laten nog zichtbaar waren. Slachtoffers spoelden zelfs aan op Zanzibar, aan de andere kant van de Indische Oceaan. Tot in Frankrijk rolden golven op de kust die een echo waren van die allesvernietigende tsunami. Wereldwijd daalde de temperatuur.

Daarnaast wordt in dit boek deze gebeurtenis in historische context geplaatst. Aan het eind van de 19e eeuw kwam wereldwijd het nationalisme op gang. In Nederlands-Indië zou de uitbarsting van de Krakatau het startschot zijn geweest voor het eerste verzet tegen de koloniale onderdrukking. Kort door de bocht is het ook de katalysator van het succes van de ruim twintig jaar eerder uitgebrachte Max Havelaar.

Naast dit boek is van Simon Winchester “The Map that changed the world” het lezen meer dan waard.

“To the outside world the eruption of 1883 may have spelled death and devastation. To the world of biology and botany, however, the subsequent energetic happenings on islands in the Sunda Strait represent nothing more nor less than a freeze-frame picture of the future of life itself – a demonstration of the utterly confident way that the world, however badly it has been wounded, picks itself up, continues to unfold it’s magic and its marvels, and sets itself back in its trail of evolutionary progress yet again. The crucible of life turns out to be most difficult of vessels to break; Not even the world’s most dangerous volcano could do it truly irreparable damage.”

 

Menselijke maatDe Menselijke Maat – Salomon Kroonenberg

Voor het fruitvliegje, dat elke twaalf dagen een nieuwe generatie produceert, is de lente een stroom. Tijdens zijn leven ziet hij de temperatuur alleen maar stijgen, en pas zijn verre nakomelingen zullen ontdekken dat er ook een herfst bestaat. Dat is hetzelfde perspectief als het onze ten aanzien van de ijstijden.

Eigenlijk verdient dit boek internationale aandacht. In dezelfde tijd dat Al Gore een Oscar en een Nobelprijs kreeg vanwege zijn ongemakkelijke waarheid, zorgde de Nederlandse geoloog Salomon Kroonenberg met dit boek voor een verfrissende nuance.

In dit boek laat hij zien dat het af en toe noodzakelijk is om verder te kijken dan onze menselijke neus lang is. We hebben het altijd over 2025, 2050 of zelfs 2100 als we het over de toekomst hebben. Om te kunnen begrijpen welke processen op onze aarde spelen is soms verder vooruitkijken noodzakelijk. Het lijkt elk jaar warmer te worden, maar ooit leven onze nazaten weer in een ijstijd. Er zijn vulkanen die lijken te slapen of zelfs niet eens als zodanig worden herkend. Toch ontploffen ze eens elke 500.000 jaar om dan het wereldklimaat behoorlijk op zijn kop te zetten. De tsunami in de Indische Oceaan op Tweede Kerstdag lijkt een eenmalig fenomeen. Tenminste volgens de menselijke maat. Geologisch onderzoek laat zien dat we soms voorbij de menselijke maat moeten kijken, om de wereld om ons heen beter te begrijpen.

Voor iedere liefhebber van onze planeet geldt: “Lezen dit boek!”

“Charles Lyells paradigma ‘the present is the key to the past’ gaat hier niet meer op. Wat je in een mensenleven, of zelfs in de gehele gedocumenteerde geschiedenis van de mens ziet of meemaakt, is niet voldoende om de natuurlijke processen te begrijpen. We moeten Lyells uitspraak omdraaien: ‘the past is the key to the present.’

 

TessaEen Varken in het Paleis – Tessa de Loo

of Hoe een boek een echte reis werd

“Waarom heb jij, George, de moskee niet bezocht, op weg naar Ali’s paleis? Kwam het niet bij jullie op, of was het Christenhonden niet toegestaan? Schoorvoetend ging ik naar binnen…”

Begin oktober 1809 reisde Lord Byron samen met zijn studievriend John Hobhouse door de Turkse Balkan. Hun jeugdige overmoed dreef ze van het veilige Engeland naar de mysterieuze landen rond de Middellandse Zee. Via Malta kwamen ze per boot aan in Preveza, in het huidige Griekenland, waarna ze over land verder noordwaarts reisden. Aangekomen in Ioannina kregen ze een uitnodiging van de lokale heerser Ali Pasja om hem te bezoeken in het nog noordelijker gelegen Tepelenë, dat nu in Albanië ligt. In de stemming voor avontuur begaf Lord Byron zich met zijn gevolg en gidsen van de pasja op weg. Het is met name Hobhouse geweest die deze reis uitgebreid in zijn dagboek heeft beschreven. Byron zelf wijdde er een aantal strofes in zijn gedicht “Childe Harold’s Pilgrimage” aan en beschreef in een lange brief aan zijn moeder de exotische pracht en praal van het paleis van de pasja, door wie ze als kinderen verwend werden.

Om haar boek ‘Een Varken in het paleis’ te kunnen schrijven, volgde Tessa de Loo in 1996 in hetzelfde jaargetijde zijn voetsporen, in de hoop dat er in dit afgelegen deel van Europa in bijna 200 jaar weinig veranderd zou zijn. Het Ottomaanse rijk was inmiddels allang verleden tijd en halverwege de route lag een van de meest gesloten grenzen van Europa, die tussen Griekenland en Albanië. Met het dagboek van Hobhouse als leidraad slaagde ze er in de route terug te vinden, hoewel een dwaalpartij soms onvermijdelijk was. Sommige delen van de route bleken geasfalteerd – daar raasde het verkeer zonder respect voor het bijzondere verleden voorbij.

“De wind ruiste in de acacia’s toen we voor de poort (van het klooster van Sint Elias, LB) stonden. Hier was je van je paard afgestegen. Een plaquette tussen met korstmossen bedekte stenen herinnerde eraan: ‘Lord Byron was hier in de nacht van twaalf op dertien oktober 1809’”

Dertien jaar later, precies 200 jaar na Byron, ging een groep Nederlanders niet alleen op zoek naar de voetsporen van Lord Byron, maar ook naar die van Tessa de Loo. Gelukkig ging zij zelf mee om haar herinneringen terug te halen en om ons op het juiste pad te houden. De mooiste delen van de oorspronkelijke route waren bewaard gebleven, al ontkwamen we niet helemaal aan de moderne tijd. Zelfs in de meest afgelegen Albanese dorpjes was nu elektriciteit en soms zag je een grote Mercedes staan, waarvan je je afvroeg, gezien de staat van de paden, hoe die daar was gekomen.

We begonnen net als Byron in Ioannina, dat vandaag de dag in Noord-Griekenland ligt. Daar bezochten we de citadel met wat er rest van het paleis van Ali Pasja. De moskee met minaret staat nog keurig overeind, al is er in de plaats van de gebedsruimte wel een klein museum gekomen. Daarna gingen we wandelend op pad. Vlakbij Zitsa, waar Byron in 1809 in een klooster overnachtte, vonden we de eerste onverharde paden terug. Iets verderop, vlakbij de rivier de Kalamas vonden we voor het eerst ook tastbare sporen van Byron’s route terug. Hij stak de rivier over ter hoogte van een waterval en een watermolen, weten we uit het dagboek van Hobhouse. We vonden inderdaad een brug en een waterval vlakbij een dorp met de fraaie naam Kataraktus. Maar waar was de molen? Een van de herders die we aanspraken kwam met de oplossing. Zijn grootvader heeft hem ooit verteld over het noodweer van 1880. Met zijn kromme stok maakte de herder tekeningen in het zand om zijn verhaal kracht bij te zetten. Na dagenlang aanhoudende regen vervoerde de rivier twee keer zoveel water als normaal. Bruggen werden weggespoeld, delen van de rivierbedding stortten in en de waterval verplaatste zich twintig meter stroomopwaarts. De molen van Hobhouse kwam daardoor te hoog boven het water te liggen om nog gebruikt te kunnen worden en verviel tot een ruïne. We waren dus toch warm! Vlakbij Byron steken we tenslotte de Kalamas over. Het water stortte zich bruisend naar beneden, je kon elkaar nauwelijks verstaan.

“We daalden af door een bos en doorkruisten het voormalige moeras totdat de weg overging in een zandpad. Dat liep, zagen we, tussen twee bergen door rechtstreeks de Albanese vlakte van Dropull in…Ik zou zo graag die ene symbolische stap over de grens zetten – precies op de plaats waar jullie, niet vermoedend dat dit in de staatkundige constellatie van twee eeuwen later onmogelijk zou zijn, gewoon voorthobbelden op jullie paarden.”

Daarna werd het tijd om Albanië binnen te trekken. In tegenstelling tot 1996 staken wij als eersten, en misschien ook wel als enigen daar de grens over waar Byron dat ook deed, zonder door grensformaliteiten gedwongen te worden van de oorspronkelijke route af te wijken. In dit nauwelijks door de tijd aangetaste grensgebied leken we met elke stap een stukje dichter bij 1809 te komen. We liepen halverwege een robuuste bergketen, met links in de diepte het dal van de Drino.

Op weg naar het dorp Glinë zagen we, aan het eind van een laan met statige cipressen, een eeuwenoude moskee. Het bleek een moslimklooster, een Tej van de Bekhtashi te zijn, een liberale variant van de traditionele islam die vrijwel uitsluitend in Albanië voorkomt. Tijdens de communistische periode is hij in verval geraakt, maar onlangs is hij grotendeels gerestaureerd. Er is een jonge imam aangesteld, in het Albanees baba genoemd. We werden uitgenodigd om in de tuin plaats te nemen en een bediende serveerde Turkse koffie en raki. De baba, gehuld in een wit-zijden gewaad en met een beginnend baardje, neemt er voor de gezelligheid ook een. Is hij niet eenzaam in deze dunbevolkte uithoek van het land? Oh nee, helemaal niet, glimlacht hij. Trouwens, hij heeft nog jaren Koranstudie voor de boeg. Omdat hij voor het leven is benoemd, verwachten we dat deze baba hier over vijftig jaar nog wel zal zitten. Een prettig idee, dat je te allen tijde bij hem kunt binnen wippen!

“Een vrouw in het zwart, een doek om haar hoofd geknoopt, sloeg me leunend op een stok met lede ogen gade. Een van de schikgodinnen van Michelangelo. Was ze de dorpsoudste, de oermoeder van Qestoraat? Stamde ze nog uit Byzantium en had ze de Turken en communisten overleefd?” 

Op regelmatige afstand passeerden we vervolgens dorpjes als Libohove, Sühe, Qesarat, Dhoksat, Mingul, Erind en tenslotte Hundequk. Overal was de bevolking niet alleen nieuwsgierig, maar minstens zo gastvrij. Voorbij Hundequk heeft de moderne tijd het pad van Byron ingehaald en raasden Mercedessen over het asfalt naar het zuiden, naar Griekenland. Wij legden het laatste stuk dan ook per bus af.

In Tepelenë bezochten we de restanten van het paleis van Ali Pasja, waar Byron te gast was. Vanaf het moment waarop Tessa de Loo diens brief over de onvergetelijke logeerpartij las wilde ze er ook naartoe. In 1996 bleek er van het “schitterende schouwspel voor een vreemdeling” niet veel over, maar de ligging was en is nog altijd mooi. Onder de rots, waarop de ruïne van het paleis staat, komen in de diepte de rivieren de Drino en Vjosa bij elkaar. We liepen door een van de paleispoorten naar binnen om het bruin gevlekte varken te zoeken, dat voor Tessa de Loo de reïncarnatie van Ali Pasja was. Helaas was het paleis zo volgebouwd met semi-permanente woningen dat er geen ruimte was voor varkens. Alleen op de vuilnisbelten die de andere poorten vulden, kwamen we een paar kippen tegen.

“We vonden een van de toegangspoorten, die hoog en gewelfd was en waardoorheen zeker drie ruiters naast elkaar naar binnen hadden gekund. Het klopte niet dat we te voet waren, met zo’n banaal ding als een paraplu in de hand. Onze entree miste alle grandeur. .. 

…waar ooit het paleis had gestaan met een galerij ervoor wentelde zich nu een bruingrijs gevlekt varken in de modder.” 

 

carolijn VisserCarolijn Visser – Uit het Moeras

“De volgende morgen werd ik wakker in de wereld van een kinderboek. Eindeloze groene weiden strekten zich uit naast het spoor. Her en der stonden joerts, tenten van nomadische Mongolen. Soms galoppeerde een ruiter naast de trein, groezelige schapen graasden tegen de hellingen.”

blz. 39 uit ‘Uit het Moeras’

Velen kennen Carolijn Visser van haar boeken over China. Tijdens de omgekeerde Transsiberië Express van China naar Moskou ontmoet Carolijn Visser in 1990 twee Esten. De Muur is gevallen, Oost-Europa wordt steeds onafhankelijker van de Sovjet-Unie en Daino en Aavo hopen dat binnenkort ook de Baltische Staten aan de beurt zijn. In dit boek volgt Carolijn Visser dit jonge Estische stel en hun landgenoten bijna tien jaar op hun zoektocht naar een nieuwe vrijheid die voor Estland in 1991 werkelijkheid werd. Hoe bijvoorbeeld het zinken van de Estonia niet alleen een scheepsramp is, maar ook een deuk in het zelfvertrouwen van een hele natie. Hoe de overgang gaat van het werken op de kolchoz De Vooruitgang waarin alles van wieg tot graf leek geregeld tot het zelfstandige ondernemerschap waar zelfs de dag van morgen is gehuld in een nevel van onzekerheid. Het boek is niet alleen een aanrader voor iedereen die de woelige jaren negentig heeft meegemaakt en dat nog eens wil teruglezen, maar ook voor de jeugd voor wie de Val van de Muur en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie alleen maar een onderwerp uit de geschiedenisboekjes is. Een boek over verandering, teleurstelling en hoop.

“Aavo kende ook perioden van neerslachtigheid. Hij had liever aan het hoofd gestaan van een goedlopende garage dan dat hij oude sovjetapparatuur in een koeieschuur aan de gang hield. Maar toch wilde hij niet klagen. Het leven van hem, Daina en de kinderen was zoals dat van het gemiddelde gezin, vond hij. Niet rijk, maar ook niet arm.”

blz. 283 uit ‘Uit het Moeras’

Hermans-Willem-Frederik-Nooit-meer-slapen-17401033Nooit meer slapen – W.F. Hermans

“De bus rijdt verder, stopt nog een tijd in Russenes, rijdt dan weer verder.

Om half elf stappen Arne en ik voorgoed uit in Skoganvarre.”

blz. 79 uit ‘Nooit meer Slapen’

Voor mij is dit het mooiste boek van W.F Hermans. Dat komt niet in de laatste plaats omdat het mij meesleurde mijn studie in. Ik ben geen Fysische Geografie gaan studeren dankzij hem, maar met hem. Dit boek lag altijd naast mijn studieboeken. Als aanmoediging en als waarschuwing. Misschien wel daarom ben ik nooit als Fysisch Geograaf werkzaam geworden. Maar wat je ook doet, waar je ook wandelt, Fysisch Geograaf blijf je altijd. Vraag dat maar aan iedereen die ooit met mij aan de wandel is geweest. En hopelijk straks ook alle middelbare scholieren die aardrijkskunde van mij gaan krijgen.

“Op een van de kaarten trek ik een cirkel met mijn wijsvinger.

– Deze gaten hier, worden algemeen voor doodijsgaten gehouden, nietwaar?

Arne buigt zich voorover om goed te kijken.

– Dat is te zeggen, de laatste tijd wordt ook wel beweerd dat sommige van die gaten pingo’s zouden kunnen wezen.

– Nou ja, de nieuwste modekreet. Maar weet je wat Sibbelee denkt? Dat het meteoorkraters zijn.

– Meteoorkraters?”

blz. 85 uit ‘Nooit meer Slapen’

Het boek is de zoektocht vol met tegenslag en pech van de hoofdpersoon Alfred Issendorf. In het hoge noorden van Noorwegen, in de provincie Finnmarken gaat hij op zoek naar bewijzen van de hypothese van zijn hoogleraar. De doodijsgaten die geen pingoruïnes zouden zijn, maar meteoorkraters. Samen met de Noorse student Arne gaat hij tevergeefs op zoek naar bewijzen. Zonder kompas, luchtfoto’s en goede kaarten verdwalen zij in het lege landschap ten zuidwesten van Skoganvarre en neemt het verhaal een dramatische wending. Vindt Alfred zijn bewijs? En zal hij uiteindelijk gravlaks eten?

“Gravlaks! De lekkernij waar Nummedal het toen in Oslo ook al over had en die nergens te krijgen was!”

blz. 245 uit ‘Nooit meer Slapen’

Advertenties

0 Responses to “Geografie in Boek”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


Archief

Tweets


%d bloggers liken dit: