15
Apr
13

Alle wielrenners zijn valsspelers

2012 Frankrijk Vakantie080De eerste voorjaarsklassiekers zijn verreden, de grote ronden staan voor de deur. Wat is er veranderd in het wielrennen? Mart en Maarten in ieder geval niet. Ondanks de winter waarin Lance  bij Oprah zijn gele bandje niet meer omhad en Michael Boogerd  eindelijk zijn glimlach afdeed. Duurt eerlijk ook in het wielrennen het langst? Lees hieronder hoe lang er al bedrogen wordt.

Liegen en bedriegen

Fraude in het wielrennen is van alle tijden. In de beginjaren was de Tour de France het kind van Henri Desgrange. Tussen de eerste Tour van 1903 en die van 1939, de laatste onder zijn hoede, deed hij er niet alleen alles aan om de Tour steeds aantrekkelijk te houden. Hij moest ook knokken tegen fraude van de deelnemende wielrenners, die alles deden om als winnaar over de streep te komen. In 1904 leek het al mis te gaan toen de eerste vier van die Tour grote delen van het parcours met de trein bleken te hebben afgelegd. Zonder meelij werden zij kort na de Tour de France door Desgrange alsnog uit de uitslagen geschrapt. Een iets onschuldigere truc uit de beginjaren was de discussie met de directie over het reglement. Niet voor of na de rit, maar tijdens de etappe. Jean Alavoine, nummer twee in de Tour van 1919, 1922 en 1923, maakte hier dankbaar gebruik van door soms wel meer dan een half uur in discussie te gaan met Desgrange. Zich ondertussen vasthoudend aan diens wagen. Het duurde een paar etappes voor Desgrange dit door had. Vanaf dat moment werden reglementsbesprekingen alleen nog voor of na de etappe gevoerd.

 “Een Pyrenee frauderen kan men niet”

Om het frauderen zoveel mogelijk tegen te gaan maakte Desgrange de Tour het liefst zo zwaar mogelijk met zoveel bergen als mogelijk. “Men kan in een Tour de France frauderen zoveel men wil,” zei hij eens, “maar een Alp of een Pyrenee frauderen kan men niet. Een Alp is werkelijkheid en géén truc. Ik zal daarom meer Alpen en meer Pyreneeën in mijn route opnemen. Ik zal mijn ronde zo zwaar maken dat elke truc en iedere fraude er niet meer tegen opgewassen is en dat alleen de ware, eerlijke kampioen haar overmeesteren kan.”

Van drugs naar doping

Helaas werd het wielrennen hierdoor veel te zwaar. De renners zagen hierdoor slechts één oplossing om dat het hoofd te bieden; de farmacie. Al in de jaren dertig was het gebruik van drugs als cocaïne gemeengoed in het peloton. Dezelfde Desgrange schreef in die periode in de reglementen dat drugs niet door de organisatie zou worden verschaft. In een wielerboek uit 1950 staat het volgende te lezen; “Drogue! ….het kwaad zit diep, het heeft zich met duizend zuignappen vastgezogen in de internationale wielersport…” Het zou nog meer dan tien jaar duren voordat er een verbod op doping zou komen. In 1960 stierf de Deen Knut Jensen na een valpartij tijdens de Olympische Spelen van Rome op de 100 kilometer ploegentijdrit. Na autopsie bleek dat de val veroorzaakt was door het gebruik van onder andere amfetamine. Dit gebeurde ruim een maand nadat de grote Franse belofte Roger Rivière tijdens de Tour zwaar ten val was gekomen. Onder invloed van zware pijnstillers en amfetamine was zijn reactievermogen dusdanig aangetast dat hij te laat remde bij een bocht en rechtdoor een ravijn inreed. Hij zou nooit meer op topniveau fietsen. Deze gebeurtenissen waren het sein voor de UCI om een paar jaar later prestatiebevorderende drugs te verbieden en te beginnen met de eerste dopingcontroles.

Rampjaar

Dit kon niet voorkomen dat 1967 een rampjaar werd. Het bekendst is natuurlijk het overlijden van Tommy Simpson tijdens de Tour dat jaar. Op de hellingen van de Mont Ventoux stierf hij aan een combinatie van hitte en doping. Later dat jaar kwam ook de Belg Roger Dewilde om het leven. Het gebruik van amfetamine leidde tijdens een wedstrijd in het Vlaamse Kempzeke tot een hartaanval waardoor hij ten val kwam en overleed. Andere beroemde dopinggevallen dat jaar kwamen op naam van Jacques Anquetil en Evert Dolman. De eerste wilde na een succesvolle aanval op het werelduurrecord in Milaan niet meewerken aan de dopingcontrole. Daarop werd zijn record niet erkend, al staat het nog steeds in de boeken zonder extra notitie. Evert Dolman werd dat jaar Nederlands Kampioen bij de profs. Maar bij de dopingcontrole probeerde hij urine uit een meegebracht flesje in het potje te gieten. Hij werd betrapt, gaf toe dat hij doping had gebruikt, werd alsnog positief getest en verloor op die manier het roodwitblauw.

Kat en muis

In de jaren daarna ontspon zich een steeds gewiekster kat-en-muisspel tussen frauderende renners en naar waarheid zoekende dopingartsen. Als we kijken naar de periode 1970 – 2010 dan zijn alle grote namen wel een keer betrapt. Van Eddy Merckx via Joop Zoetemelk, Michel ‘Peerke ‘ Pollentier, Bjarne Riis en Marco Pantani tot Alberto Contador. Met alle betrapte renners zijn meerdere pelotons te vullen. Als de renners niet betrapt werden, dan was er wel vieze vis of vervuilde kip die het complete ploegen onmogelijk maakte verder te fietsen. Er zijn slechts twee wielrenners aan te wijzen die nooit zijn betrapt of op een andere manier in opspraak zijn geraakt aangaande dopinggebruik. Het lijkt erop dat alleen de Belg Lucien van Impe en de Spanjaard Oscar Pereiro schoon het geel in Parijs mochten aantrekken. Dat het steeds moeilijker werd om gebruikers te pakken bleek wel uit de affaire rond Lance Armstrong. De jarenlange geruchten werden pas in 2012 tot waarheid gepromoveerd door een meer dan duizend pagina’s tellend rapport opgesteld door de USADA. Vooral dankzij veel indirecte bewijzen en getuigenverklaringen van ex-collega’s. Echt op heterdaad betrapt werd de Texaan nooit, er moest een Agatha Christie-achtig onderzoek aan te pas komen om deze modernste onder de valsspelers in de kraag te vatten. Pas na zijn bekentenis bij Oprah waren ook zijn laatste fans echt overtuigd.

Een schone toekomst?

Na de uiteindelijk toch nog beperkte stroom van bekentenissen in 2012 en 2013 hoopt het wielrennen een schone doorstart te kunnen maken. Gaat dit ook lukken? De wielrenner van de toekomst zal net als zijn voorgangers willen winnen. Als het moet speelt hij daarbij weer vals. Zeker als de wedstrijden zo zwaar blijven als Henri Desgrange al graag wilde. Zeker als er zoveel geld mee is gemoeid als binnen het wielrennen. Moeten we dus de commerciële ploegen afschaffen en terug naar de landenploegen? Moeten we de wedstrijden lichter maken met bijvoorbeeld na elke rit in de Tour de France een rustdag? Moeten we het gebruik van stimulerende middelen toestaan, mits onder goed medisch toezicht? Ik heb daar geen antwoord op. Maar als ik dan toch word bedonderd, dan liever door Marco Pantani dan door Lance Armstrong.

Advertenties

0 Responses to “Alle wielrenners zijn valsspelers”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


Archief

Tweets


%d bloggers liken dit: