29
Okt
12

Kootwijkerzand – een stuifzandgebied

Stuifzandgebieden in Nederland

“Na twee uur gaans bevonden wij ons aan een molen op de heide en waren in Drenthe… Dit verrukkelijke oord verlaten hebbende vonden wij ons in eene zandige heide en kwamen na over een heuvelachtige grond waar hier en daar plassen en moerassen waren, een half uur voortgegaan te zijn, in een klein gehucht aan. Nu opende zich voor ons een stuifzandzee, geweldig door de wind in ons aangezicht gedreven. Niet lang echter hield dezelve aan: eene heide doorgetrokken zijnde, rusteden wij een oogenblik op de overblijfselen van een ingevallen hunnebed…”

uit: het reisdagboek van Jacob van Lennep uit 1823

 

De laatste ijstijd

Zeventigduizend jaar geleden brak de voorlopig laatste ijstijd aan. In heel Noordwest-Europa begon het weer kouder te worden, de zeespiegel daalde en het landijs rukte weer vanuit Scandinavië op. Deze keer bereikte het landijs Nederland niet. Nederland kende in deze tijd, de Weichsel-ijstijd, een toendraklimaat. De wind had in deze tijd, waarin vrijwel niets kon groeien, vrij spel. Het losliggende zand werd door de vaak krachtige westenwinden meegenomen en als een soort deken elders weer neergelegd. We spreken daarom ook wel van dekzand.

 

Het warmere Holoceen

Het tijdvak waarin de ijstijden, afgewisseld door warmere perioden, voorkomen noemen wij het Pleistoceen. Met het warmer worden 10.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd en daarmee het Pleistoceen en begon het tijdvak waarin we nu nog steeds leven: het Holoceen. Met het warmer worden raakten de dekzanden die in grote delen van Nederland waren blijven liggen begroeid. We vinden de meeste dekzandgebieden nu nog terug in Drenthe, Overijssel, de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug & ‘t Gooi en in Noord-Brabant.

 

Het begin van de landbouw

Dat in deze gebieden veel stuifzandgebieden te vinden zijn komt door de mens. Ruim 5000 jaar geleden begon de mens in ons land met landbouw. Eerst nog rondtrekkend. Steeds op zoek naar de meest vruchtbare gebieden. Later bleven de boeren steeds meer op dezelfde plek. Rondom de nederzettingen ontstonden landbouwgebieden, de zogenaamde essen. Daaromheen bevonden zich vaak een beekje met weidegronden en bossen die door begrazing steeds meer in heide veranderden. Op hun akkers verbouwde men eerst vooral granen, later ook voederbieten en na de ontdekking van Amerika in 1492 kwam daar de aardappel bij. Om deze bouwlanden vruchtbaar te houden werd er veel bemest. Deze mest was afkomstig van de schapen en het overige vee. De mest werd verzameld in de zogenaamde potstal en vermengd met heideplaggen en stro op de akkers gebruikt. Deze manier van landbouw werd tot na de middeleeuwen toegepast.

 

Vrij spel

Na de middeleeuwen groeide de bevolking sterk. Om al deze extra monden te voeden, moest er meer eten worden verbouwd. Dit betekende meer mest en dus ook meer heideplaggen. Grote delen heide verdwenen en het kale dekzand kwam aan de oppervlakte te liggen. De wind had vrij spel. Bij harde wind en storm werd het zand meegenomen en elders weer neergelegd. Zo ontstond een typisch stuifzandreliëf met duinen en laagtes. De mensen waren hier niet blij mee. Soms werden hele dorpen verzwolgen door de oprukkende zandzee. Met de aanleg van dijken bestaand uit struiken en bomen werd geprobeerd het zand tegen te houden.

 

Kunstmest en mijnbouw

In de twee helft van de 19e eeuw werd dit verschijnsel pas echt een halt toegeroepen. Met de uitvinding van de kunstmest werden de schapenmest en heideplaggen overbodig. Een verdere aantasting van de heide vond niet meer plaats. De nog aanwezige stuifzandgebieden werden in het begin van de 20e eeuw beplant met snelgroeiende naaldbomen. Niet alleen om het verstuiven tegen te gaan. Een andere belangrijke economische reden was de opkomende mijnbouw in Zuid-Limburg. Voor de mijngangen waren stutten nodig. De naaldbomen waren hiervoor erg geschikt.

 

Nieuwe natuur

Langzaam maar zeker verdween het stuifzand uit het Nederlandse landschap . Alleen op plekken waar het Nederlandse leger oefenterreinen had, zorgden tanks en schuttersputjes gravende soldaten voor de instandhouding. De laatste jaren is daar natuurbehoud bijgekomen. Stuifzandgebieden dragen bij aan een grotere diversiteit van de natuur. Het Kootwijkerzand is met 700 ha niet alleen het grootste van Nederland, maar ook van Europa. Met wat overdrijving mag het best wel de ‘Kleine Sahara van Europa’ worden genoemd. Andere beroemde stuifzandgebieden in Nederland zijn de Loonse- en Drunense Duinen in Noord-Brabant, Het Wekeromse Zand op de Veluwe, de Lange Duinen bij Soest en het Aekinger Zand op de grens van Friesland en Drenthe. Grappig is dat bij Ommen ooit een stuifzandgebied was met de naam Sahara. Na herbeplanting bleven twee kleinere gebiedjes in stand, waarvan ééntje heel origineel Kalahari heet.

Advertenties

2 Responses to “Kootwijkerzand – een stuifzandgebied”


  1. oktober 29, 2012 om 7:58 am

    Mooi verhaal weer en zoals eerder gezegd, leuke nieuwe “rubriek”.

  2. oktober 29, 2012 om 2:28 pm

    Door dit verhaal kan ik nu misschien eindelijk onthouden waneer pleistoceen en holoceen waren – in elk geval in welke volgorde ze plaatsvonden. Dankjewel.
    Ooit ben ik tijdens een wandeling samen met mijn zus verdwaald op het Kootwijkerzand. Wat voel je dan intens hoe groot en stil en leeg het gebied is. We hebben uren extra gelopen maar hoefden gelukkig uiteindelijk niet de nacht buiten door te brengen. De volgende ochtend konden we ons bed bijna niet uitkomen van de spierpijn. We hebben ons wandelweekend afgesloten met een korte wandeling bij Kootwijkerbroek.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


Archief

Tweets


%d bloggers liken dit: